Hoogleraar psychologie Harald Merckelbach zwengelde vijftien jaar geleden een discussie aan over een gevoelig onderwerp: de (on)betrouwbaarheid van herinneringen aan seksueel misbruik die tijdens psychotherapie ‘plotseling’ terugkomen in relatie tot de rechtspraak. In zijn werkkamer op de Universiteit Maastricht vertelt hij bevlogen over patiënten die liegen, bedriegen en simuleren en over het intrigerende grensvlak tussen psychologie en recht.


PsychoPraktijk, 4-2011 

In deze rubriek vertelt iemand uit de GGZ of de academische wereld over zijn of haar ervaringen. Carlie van Tongeren is auteur en journaliste.


Hoe heeft de discussie over hervonden herinneringen aan seksueel misbruik zich daarna ontwikkeld?

‘Het boek Hervonden Herinneringen en Andere Misverstanden dat Hans Crombag en ik in 1996 schreven, kreeg veel aandacht. Zo konden we de discussie in Nederland aanzwengelen. Onze waarschuwing dat mensen pseudo-herinneringen kunnen hebben aan seksueel misbruik, herinneringen die zijn ingekleurd door therapie, heeft er in het juridische domein toe bijgedragen dat de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken in het leven is geroepen. Ervaren politiemensen en psychologen geven samen een beargumenteerde inschatting: is deze zaak de moeite van het vervolgen waard? Of zijn er te veel ongewisse elementen en duperen we mensen als we dat doen? De expertisegroep heeft inmiddels honderden zaken gezien. Ik denk dat ze ons voor veel onheil heeft behoed. Het mooie aan Nederland is, dat er op dit terrein geen grote tegenstellingen meer bestaan zoals je die in Amerika nog wel ziet. Er heeft een vruchtbare gedachtewisseling plaatsgevonden, waardoor er consensus is ontstaan – en dat bedoel ik niet in de zin van een slappe tussenoplossing, maar als een goed doordacht model dat recht doet aan verschillende posities. Ja, je kunt zeggen dat ik er een mildere kijk op heb gekregen. Ik denk dat elke goede wetenschapper zijn standpunten herziet op basis van nieuwe onderzoeksgegevens. Ik geloof nog steeds niet dat mensen zich ineens weer een compleet verdrongen trauma kunnen herinneren, maar wel dat er scenario’s zijn die daar sterk op lijken. Dat je als patiënt al pratende en nadenkende tot de conclusie kunt komen dat je ooit slachtoffer bent geweest van misbruik. Voorheen had het de contouren van iets wat normaal was, maar tijdens therapie realiseer je je: hé, maar dit was helemaal niet normaal. Je kunt je voorstellen dat zo’n radicale herinterpretatie van je verleden voelt als een nieuwe herinnering. Dat wij daar nu oog voor hebben, is te danken aan gesprekken met psychotherapeuten. Zij erkennen op hun beurt het grote risico op pseudo-herinneringen tijdens therapie.’

Wat was het effect van die gedachtewisseling op onderzoek?
‘De discussie heeft een enorme impuls gegeven aan het onderzoek naar het autobiografisch geheugen. Zelf hebben wij veel studies gedaan naar kinderen: hoe makkelijk is het om kinderen een valse herinnering aan te praten en wat betekent dat in juridische context? Op basis van dat wetenschappelijke corpus kunnen we politieverhoren van kinderen beter vormgeven. Als we het breder trekken, heeft het gezorgd voor belangstelling voor de Posttraumatische Stress-Stoornis (PTSS). Naar de vraag in welke opzichten traumatische herinneringen een speciale positie innemen ten opzichte van ‘gewone’ herinneringen. In datzelfde domein hebben dissociatieve symptomen mijn warme belangstelling. Bij dissociatie hebben we het over het sterk uit de pas lopen van cognitieve functies als waarneming, geheugen en emoties; over symptomen als verstrooidheid en niet weten wie je bent. De oude opvatting is, dat die altijd te maken hebben met trauma: je hebt als kind iets traumatisch meegemaakt en ontwikkelt bij wijze van overlevingsstrategie dissociatieve symptomen. Die theorie geloof ik nog steeds niet. Waar ik wel in geloof, is de samenhang tussen slaapverstoring en dissociatieve verschijnselen. Als je slaap verstoord is, neemt je cognitieve slagkracht af en schuiven waken en dromen in elkaar. Wij hebben de opvatting dat slaapverstoringen fungeren als de motor van dissociatieve symptomen. Als die aanname correct is – daar moeten we nog verder onderzoek naar doen – is dat een belangrijk aanknopingspunt voor de behandeling. Dan kun je denken aan een programma om de slaaparchitectuur te normaliseren. Onze eerste testresultaten uit het U-center in Limburg zijn zeer hoopgevend. We vermoeden dat er ook samenhang bestaat tussen slaapverstoring en pseudo-herinneringen en dat verdachten om die reden valse bekentenissen kunnen afleggen. Dat past perfect in ons plaatje.’

Wat is in uw ogen de rol van de psychologie binnen de rechtspraak?
‘In rechtszaken gaat het vaak om twee dingen: hoe betrouwbaar is het geheugen van getuigen en verdachten? En: welke stoornis heeft deze verdachte en maakt dat hem minder of helemaal niet toerekeningsvatbaar? Beide vragen behoren tot het domein van de psychologie. Ik zou graag zien dat politie en justitie zich meer verlaten op psychologische vakkennis. Psychologen zouden veel prominenter aanwezig moeten zijn in het politieapparaat; elk politieteam zou een psycholoog in dienst moeten hebben. De rechter en officier van justitie roepen jaarlijks al bij duizenden gevallen de hulp in van psychologen, vooral bij jonge delinquenten. Ik sta ervoor dat rechters vaker een beroep doen op psychologen met een wetenschappelijke signatuur en minder op psychologen met een hulpverleningsachtergrond – een van de criteria voor inschrijving in het Nederlands deskundigenregister. De vragen die in de rechtszaal aan bod komen, hebben namelijk alles te maken met: wat zeggen ons vak en onze onderzoeksliteratuur daarover? Ze hebben weinig tot niets te maken met: hoe kunnen we hulp verlenen? Ik wil niet zeggen dat een hulpverleningsachtergrond totaal onbelangrijk is, maar ik vind de eenzijdige nadruk erop onverstandig.’

Onlangs verscheen uw boek De Leugenmachine over enkele bijzondere rechtszaken die u heeft gezien. Wat was uw drijfveer om dat te schrijven?
‘Het boek gaat over het grensgebied tussen liegen en valse herinneringen. Over mensen die willens en wetens liegen en over mensen die als patiënt de onwaarheid vertellen. In de praktijk zag ik dat echte patiënten, mensen met schizofrenie bijvoorbeeld, niet als zodanig herkend worden door politie en op de gebruikelijke manier verhoord worden. Terwijl simulanten, die de symptomen enorm overdrijven, vaak wél voor echte patiënten worden gehouden en met alle terughoudendheid benaderd worden. Dat is een hele merkwaardige discrepantie. Ik hoop dat men na het lezen van mijn boek meer doordrongen raakt van het fenomeen ‘simuleren’. Dat onderwerp heeft weinig belangstelling binnen de Nederlandse psychologie en psychiatrie. Het is moeilijk om daarover te publiceren en onmogelijk om er onderzoeksgelden voor te krijgen. Het is een pijnlijk onderwerp, waar we liever niets van weten. Maar het komt vaker voor dan we vermoeden – daar bestaan harde statistieken over. We hebben als psychologen een instrumentarium om simulerende patiënten op te sporen. Daar moeten we veel meer gebruik van maken. In de rechtszaal, maar ook in de klinische praktijk.’

Hoe kun je simulerende patiënten herkennen?
‘Simulanten hebben de neiging om over the top te gaan; om een hoeveelheid en intensiteit van symptomen te rapporteren, die je bij echte patiënten nooit zult aantreffen. Tegelijkertijd hebben simulanten de neiging om extreem onder te presteren op allerlei cognitieve taken. Mensen die aan PTSS beweren te lijden hebben nogal eens een belang om iets voor elkaar te krijgen op titel van hun PTSS: een rechtszaak winnen of een uitkering krijgen. Een echte patiënt probeert niet te overtuigen; die hoort zelfs liever níet dat hij patiënt is. Simulanten creëren een enorme ruis, omdat ze nooit beter worden. Ze zullen alleen maar slechter worden. Als onderzoeker krijg je daardoor geen zicht op de werkelijke resultaten.

Ook bij aandoeningen als dyslexie en ADHD zijn veel simulanten op de been, omdat het een makkelijke weg is om Ritalin of privileges op school te krijgen. Het is pijnlijk om te zeggen, maar het is wel de waarheid. Daarbij wil ik wel benadrukken dat mensen die aandoeningen simuleren niet per definitie doortrapte oplichters zijn. Het ligt veel ingewikkelder. Het zijn mensen die wel degelijk problemen hebben en die ervaren hebben dat ze die kunnen oplossen door zich te verhullen achter een syndroom of symptoom. Het thema ‘simuleren’ verdient maatschappelijke aandacht en een plek op de onderzoeksagenda. Ik heb me voorgenomen om daar de komende tien jaar aan te besteden – al was het maar om mijn collega’s van het belang te overtuigen.’

Waar komt uw fascinatie voor dergelijke gevoelige onderzoeksthema’s vandaan?
‘Deze thema’s bevinden zich in de driehoek van liegen en simuleren, echte (traumatische) herinneringen en pseudo-herinneringen. De vraag is hoe die drie samenhangen. Is dat een continuüm? Kun je zo ver gaan dat je die gesimuleerde symptomen op een zeker moment écht gaat voelen? Ik vind die driehoek fascinerend, omdat je intuïtief zou denken dat het afgebakende terreinen zijn – die aanname vormt ook de basis van DSM IV. Wij zien dat het vloeiende lijnen zijn en geen dikke muren. Mijn fascinatie ontstond toen ik bezig was met mijn proefschrift over de oorsprong van fobische klachten. Ik merkte dat mensen, kinderen in het bijzonder, soms hele verschillende verhalen vertellen over hetzelfde voorval. Een kind dat fobisch is voor honden vertelt bijvoorbeeld dat het ooit gebeten is door de herdershond van Oom Jan. Maar zijn ouders zeggen vervolgens: “Nee hoor, Oom Jan heeft helemaal geen herdershond.” Dat duidde er voor mij toen al op dat ons autobiografisch geheugen lang niet altijd betrouwbaar is en dat we gemakkelijk pseudo-herinneringen kunnen ontwikkelen.’

Wat boeit u in uw werk als getuige-deskundige?
‘In elke rechtszaak zit heel veel psychologie. Het gaat over menselijk gedrag, mensen die om een bepaalde reden iets doen wat verboden is. Als ik merk dat ik als getuige-deskundige veel gewicht in de schaal leg, geeft me dat voldoening. In Nederland hebben we de presumptie van onschuld, maar soms zitten politie en justitie op de koers dat iemand schuldig is. Als dat gebeurt op basis van allerlei dubieuze psychologische aannames, dan wil ik die als getuige-deskundige graag torpederen om te voorkomen dat iemand jarenlang achter de tralies gaat. Of iemand echt onschuldig is, dat is de aangelegenheid van de rechter. Waar ik wel over ga, is een kwestie als: de politie heeft een schizofrene verdachte aangehouden, omdat ze veronderstelt dat schizofrene patiënten een neiging hebben om zedenmisdrijven te plegen. Dan zeg ik: dat is een volstrekt onjuiste aanname. Als er een zedenmisdrijf is gepleegd, kun je niet automatisch de schizofreen, de ‘dorpsgek’, oppakken. Het voelt goed als ik zo’n punt als getuige-deskundige met verve kan maken.’

Kunnen we rechterlijke dwalingen voorkomen met de hulp van psychologen als getuige-deskundigen?
‘Dat vind ik een moeilijke vraag. Maar mijn antwoord is: nee. Overal waar besluiten genomen moeten worden – ik onderstreep ‘moeten’ – gaat het soms mis. Bij rechters, bij dokters en bij psychologen. Het zou rechtsweigering zijn als een rechter zegt: “Vandaag spreek ik geen recht, want ik weet het niet.” Net zomin als een psycholoog kan zeggen: “Dit vind ik te moeilijk, ik stel geen diagnose.” Je moet een diagnose stellen, je moet zeggen schuldig of onschuldig, pluis of niet pluis. Het zou onbillijk zijn om het rechters, dokters en psychologen aan te wrijven dat ze fouten maken. Je kunt daar wel twee dingen tegen doen. Ten eerste: die foute beslissingen in kaart brengen. Je kunt pas dingen leren en vaardigheden aanscherpen op basis van feedback. Die feedback, daar ontbreekt het bij psychologen en vooral bij rechters nogal eens aan. In medische tijdschriften zie ik veel meer ruimte voor discussie over missers. Niet vanuit de gedachte: we gaan met de vinger wijzen, maar: wat kunnen we hiervan leren? Ten tweede moet je jezelf niet beroven van de mogelijkheid tot correctie. Dat bedoel ik in institutionele zin: de Hoge Raad gaat nu wat verkrampt om met herzieningsverzoeken. Daar ligt ruimte voor verbetering.’

Welke inzichten wilt u meegeven aan vakgenoten in de klinische praktijk?
‘Ik pleit voor het gebruik van meer psychologische tests. Dat is een van de belangrijkste verworvenheden van de psychologie. Tests leveren een schat aan informatie op, met name in justitiële context. Omdat wij psychologen kritisch zijn, op onszelf en elkaar, zien we over het hoofd hoe sterk onze instrumenten eigenlijk zijn. Psychologische tests doen qua scherpte en diagnostische trefzekerheid niet onder voor medische tests. Een internist maakt op basis van laboratoriumuitslagen, aangevuld met zijn deskundigheid, een goede inschatting van wat er met zijn patiënt aan de hand is. Zo’n soort model moeten we ook in de psychologie en psychiatrie hanteren. Dat betekent dat in opleidingen meer aandacht moet komen voor psychodiagnostiek.

Een andere aanbeveling: neem goed kennis van de wetenschappelijke literatuur. Psychologen in de verslavingszorg, bijvoorbeeld, hebben zich neergelegd bij de idee dat de recidive van verslaafden hoog is en het resultaat van therapie mager. Ik snap die houding. Maar als je kennis neemt van wetenschappelijk onderzoek zie je een sterke aandacht voor verslaafden die er op eigen kracht in slagen om hun verslaving te boven te komen. Een interessante vraag die je daaruit kunt ontlenen is: welke methoden gebruiken die mensen? Er gebeuren veel dingen in de psychologische wetenschap waar je als clinicus je voordeel mee kunt doen – ook al ziet de literatuur er op het eerste oog droog uit. Daar hebben wetenschappers zeker een taak in. Zij hebben een preoccupatie met technische, Engelstalige artikelen, omdat ze daarop afgerekend worden. Een goede wetenschapper ziet in dat het belangrijk is om ook zijn praktisch werkzame collega’s deelgenoot te maken van zijn onderzoeksbevindingen. Daar krijg je veel voor terug. Zelf ontvang ik geregeld e-mails van collega’s die mij attenderen op interessante fenomenen uit de praktijk, waarvan ik als wetenschapper kan profiteren door nieuw onderzoek te initiëren.’

Hoe staat het volgens u met de psychologie als vak?
‘Ik denk dat het heel goed gaat met de psychologie, maar dat er wel bedreigingen zijn. Een daarvan is in mijn ogen de conceptuele verwarring over de bijdrage van de biologie. Sommige mensen zeggen: “Psychologie is achterhaald, voortaan hebben we het over neurowetenschappen.” Dat vind ik een onzinnig en onhoudbaar standpunt. Je kunt menselijk gedrag op allerlei manieren verklaren. Zeggen dat een verklaring op basis van ons hersenmechanisme boven een verklaring in psychologische termen staat, zou behoorlijk arbitrair zijn. Bevindingen uit de neurowetenschap worden enorm gehypet. Ze maken een hele tastbare indruk; je wijst naar de frontaalkwab en zegt dat het gedrag daardoor komt. Terwijl elke wetenschapper zou moeten weten dat dat een drogredenering is. Het is hetzelfde als zeggen dat België in Europa ligt; daarmee verklaar je nog niets. In ons vak gebeuren allerlei – spectaculaire – zaken waarmee de neurobiologie helemaal niets te maken heeft. Neem Behavourial Economics: over hoe mensen beslissingen nemen in het economische verkeer. Dat is, evenals de sociale psychologie, een bloeiende tak van onderzoek. Ik wens dat we onszelf vooral psycholoog blijven noemen en ons niets aantrekken van mensen die roepen dat de psychologie passé is.’

Wie is Harald Merckelbach?
Prof. dr. H.L.J.G. Merckelbach (1959) studeerde van 1978 tot 1985 psychologie, met als bijvakken filosofie en fysiologie, aan de Universiteit Utrecht. Hij promoveerde in 1989 aan de Universiteit Maastricht op het ontstaan van fobische klachten. In 1996 werd hij benoemd tot hoogleraar psychologie aan de Universiteit Maastricht, waar hij verbonden is aan de sectie Forensische Psychologie. Daarnaast werkt hij als getuige-deskundige bij rechtszaken en is hij (mede-)auteur van een aantal boeken, waaronder Hervonden Herinneringen en Andere Misverstanden (1996), Hoe een CIA-Agent zijn Geheugen Hervond en Andere Waargebeurde Verhalen (2007) en De Leugenmachine (2011). Hij zit in Commissie Deetman, die onderzoek doet naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk, en in de redactieraad van onder andere Applied Cognitive Psychology, Legal and Criminological Psychology en Applied & Preventive Psychology. Sinds 2007 is Merckelbach lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Samen met zijn collega’s blogt hij op: forensischepsychologie.wordpress.com.