Benieuwd naar de inhoud van mijn boek ‘Heerestraat & Rozenlaan’? Lees het leesfragment dat de Boekenkrant publiceerde in de (papieren) juli-editie, met daarin een typisch, hoogst ongemakkelijk kind-van-gescheiden-ouders-moment…

Ik ben zo zenuwachtig voor de tienminutengesprekken op school dat ik niets in me op kan nemen. Voor zover ik weet is dit de eerste keer dat mijn ouders elkaar weer zien sinds mijn vader is vertrokken. Ik kan alleen maar hopen dat ze een beetje normaal tegen elkaar doen.
En waar blijft mijn moeder eigenlijk?
‘Mam, kom je nou?’ roep ik naar boven.
‘Jaha!’ klinkt het.
In de gang prop ik de laatste spulletjes in mijn altijd net te kleine tas.
‘Is dit goed?’ vraagt mijn moeder, die nu op de onderste traptrede staat.
Ze heeft eindelijk iets anders aan dan dat smoezelige nachthemd (stel je voor dat ze daarin naar school wilde gaan! Dan bleef ik thuis). Ze ziet er wel aardig uit in haar zwarte broek en roomkleurige shirt met driekwartmouwen, maar lang niet zo sprankelend als vroeger. Ze lijkt een soort schim van de moeder waar ik zo dol op ben. ‘Prima,’ zeg ik niettemin.
Zwijgend leggen we de weg van de Rozenlaan naar school af.
Als we de gang op de bovenste etage in lopen, waar we het eerste tienminutengesprek hebben, zie ik mijn vader staan in pantalon en overhemd. Ik loop op hem af en mijn moeder volgt me. Ik hoor haar ademhaling zwaarder worden en dat maakt me nog nerveuzer. Ik wil iets zeggen, maar mijn keel lijkt dichtgeschroefd en ik produceer alleen een vreemd, hoog geluid.
‘Ah, daar zijn jullie,’ zegt mijn vader opgewekt. ‘Dag.’
‘Dag,’ zegt mijn moeder, een stuk minder opgewekt.
Ik zie dat mijn ouders elkaar een hand geven. Een hand. Een HAND!
Dit zou ik meteen in de appgroep hebben gezet als ik zelf niet opeens zulke zweethanden had.
‘Ik ben Hans,’ zegt mijn vader, bij wijze van grap. Correctie: bij wijze van enorm ongelooflijk vreselijk afgrijselijk misplaatste en ook nog eens volledig verkeerd getimede grap. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Gelukkig schraapt mijn vader zijn keel en vraagt: ‘Hoe gaat het?’
‘Goed,’ antwoordt mijn moeder. Ze kijkt de andere kant op en vraagt niet hoe het met hem gaat.
Stilte. Het klamme zweet heeft mijn oksels bereikt. Misschien moeten ze een speciaal type deodorant ontwikkelen voor de plotselinge zweetaanvallen die je krijgt als je ouders net zijn gescheiden.
‘Is die lekkage nog opgelost?’ vraagt mijn vader.
‘Ja.’
‘Hoe dan?’
‘Herman.’
‘O, is Herman langs geweest?’
‘Ja.’
‘Hoe gaat het met Herman?’
‘Goed.’
‘En met zijn vrouw?’
‘Goed.’ Ik voel de spanning in de lucht hangen, maar weet niet wat ik moet doen of zeggen om die te doorbreken. Moet ik een grap maken? Een verhaal vertellen? Naar de wc gaan en daar de rest van de avond blijven zitten? Ik zou haast vergeten dat we hier voor míjn tienminutengesprekken zijn.
Vanuit mijn ooghoeken zie ik Anja aan komen lopen. O, god. Ik geloof dat ik moet overgeven. Wat doet zíj hier?

Dit leesfragment verscheen in de (papieren) juli-editie van de Boekenkrant.

In deze editie van de Boekenkrant stond trouwens tevens een recensie van ‘Heerestraat & Rozenlaan’